Uittreksels / Excerpts

Uit: Het vloekhout (2018)

(Aan het woord is het personage “vloekhout”, een stuk van het kruis waaraan de profeet Jesjoea stierf nadat hij ter dood was veroordeeld)

Zolang de verkrachting duurt, kijk ik naar haar ogen. Ze hebben haar de berg op gejaagd, de berg waarop ik mijn leven lang al sta in het hart van de woestijn. Ze stropen de panden van hun uniformtuniek op en storten zich op haar, de een na de ander. Hun helmen zakken scheef. Ze heet Maryam, verneem ik later. Haar mond is wijd geopend, maar ik hoor haar geschreeuw niet, want ik let alleen op haar blik, op haar pupillen die knakken, al haar jeugd en onschuld die verpulveren. In de barsten van haar schoonheid wellen tranen op, alsof het ijsvlak van een bevroren plas breekt en het water dat eronder schuilt tevoorschijn komt.
Ze komen spastisch klaar. Kloeke krijgers met verlof, kinderen in een mannenlijf. Ze pissen de naam die hun moeder hun heeft gegeven in het zand. Ze pissen op mij, want een boom dient om tegen te pissen, en ze pissen op Maryam. Ze spugen op haar en keren terug naar hun kampementen, naar hun britsen en hun oorlogjes.
Sindsdien heeft Maryam een oude blik. Haren kunnen in één nacht grijs worden. De spiegel van de ziel kan in één ogenblik een heel mensenleven overslaan. Ze is nauwelijks dertien. Een prille moeder is een oud mens geworden.
Later komt ze steeds weer onder mijn kruin terug. Ze keert terug naar de plek waar de soldaten haar bij de haren heen
hebben gesleept, omdat ze ‘een kleine Joodse rat’ is, zoals ze tegen haar zeiden. Hier, hoog tussen hemel en aarde, kan ze ongemoeid treuren. Ik doe het enige waartoe ik in staat ben: ik schenk haar mijn schaduw. De woestijn is mijn moeder. Al jaren sta ik met mijn wortels diep in haar buik, onwrikbaar in de brandende wind, voorbestemd om hier voorgoed te blijven staan, want dat is nu eenmaal mijn natuur. Ik leef van de regen, die enkele genadige keren per jaar komt, en van de mineralen die
diep in het zand verscholen zitten. Ik ben gedoemd om te zwijgen, ook dat is mijn natuur, maar ik klets aldoor tegen mezelf, hoewel ik weet dat niemand me kan horen. Ik klets ook tegen Maryam, onafgebroken, in de deerniswekkende stilte.
Na het voorval op de berg ben ik evenzeer veranderd. Ik voel me vaak gevangen, in mijn bast, in de grond. Omdat ik niet van mijn plaats kan wijken, strek ik mijn takken uit naar de hemel, ik ben niet groot, maar ik strek me uit, heel ver, tot het pijn doet in al mijn twijgen, in de hoop dat daarvandaan enige troost zal komen. Ik heb het zelfs mensen zien doen: zich rekken naar de hemel, onbestaande vleugels uitslaan. Vreemd, want zij kunnen zich toch verplaatsen. Voor welke pijn zoeken zij troost? Voor hun korte leven, en voor hun onvermogen om er iets van te maken, en als ze er iets van gemaakt hebben, voor hun afschuw van de dood. Ik weet nog niet dat het moederschap van Maryam niet alleen mij, maar ook de loop van de wereld zal veranderen.

*

Uit: Bloedgetuigen (2011)

(Aan het woord is de Vlaamse collaborateur Jean tijdens WOII over zijn dubieuze missie in Leningrad, Rusland tijdens het 900 dagen durende beleg)

“Pa, Ma, omdat een volk meer waard is dan een enkeling, vul ik om vijf uur ’s ochtends mijn rugzak met bakstenen en marcheer ik vijf uur achter elkaar dwars door de maartse moerassen naar het doel: Europa’s vrijheid, het einde van de oorlogen, de laatste fase van de romantiek en de zege van de poëzie.
Mijn kindertijd is afgelopen, Pa en Ma, en daarna ook mijn puberteit, en tegelijk mijn volwassen jaren, en ten slotte ook mijn oude dag.

Ik ben aan de andere kant van het leven terechtgekomen, in de zone waar leeftijd er niet toe doet, zeker niet mijn belachelijk lage, zeventien, nee, net achttien, Pa, achttien! —, en waar je de kans krijgt, door de eeuwig rechtschapen God op een dienblad aangereikt, om door te dringen tot de kern van de dingen, tot de ziel van de dingen, daar waar goed en kwaad, jong en oud, man en vrouw er niet meer toe doen, maar waar alleen nog de wetten gelden van de poëzie telt, de poëzie van vrijheid en oorlog, datgene wat de mensheid drijft. Daar waar de gelouterde wereld is, omgeven door stromen van waarheid.

En dat we door een moeras moeten, dat we het verdriet met ons meedragen zoals onze terdoodveroordeling in onze rugzak is een groot goed, want ook Jezus Christus moest bespot, gegeseld en gekruisigd worden voordat het eeuwige leven kon beginnen.
Het lijden is een deel van mijn geluk. Heer, leer me te lijden en ik zal gelukkig zijn. En leer me voor dit lijden te vechten, op elk moment van mijn miezerige bestaan, op elke vierkante meter die Gij hebt geschapen, en ook daar waar Gij met een molensteen om uw nek in zee zijt geworpen.”